(Nederlandse vertaling onderaan de tekst)
My grandmother spoke Arabic. Also Arabic. And for many years she lived with us—my father (her son), my mother, my sister and me, in our Tel Aviv home. My mother, the daughter of Polish Jews who at some point migrated to Germany, was welcomed into the family only after she learned to cook Ma’ouda and Hamoud u Rouz, Couqula and Medias, Majadara and Qua’ak, Awamee and sweet Ma’amoul—my father’s Syrian-Lebanese home cooking—as well as to speak Arabic.
My other grandmother spoke German. She made no culinary demands, neither of her daughter nor of her son-in-law, maybe she had no demands of any kind, just a bitter aftertaste from her good life “over there,” which evaporated overnight in 1933, when she migrated with her husband and daughters to Palestine, and was forced into domestic labor. Her daughters, Ruth and Helga, became Ruta and Rivka. Rivka, my mother, refuses to set foot in Germany. She’s angry.
I live in Israel—a country that declared itself from the outset “a bastion of the West in the East”—and find myself longing for Damascus and Beirut, even though I have never set foot there, and probably never will. Without any longing, I went searching for my grandparents house in Leipzig. It hurt.
I was born in 1956, five months before Israel embarked on yet another war aimed at asserting its presence in, and control over, the region—this time together with real colonial powers like France and Britain—“The Sinai War,” as it is known here.
In the next war, the 1967 war, or “The Six Day War” as Israelis like to call it—emphasizing the magnitude of Israeli victory and Arab defeat—I cried of joy with everyone else when they announced on the radio: “The Temple Mount is in our hands!” And like everyone else, I wanted to be a heroic tan paratrooper, as different as possible from Menek, the man across the street who would scream through the night in German. A Holocaust survivor. We were Israeli, he was Jewish.
Our Israeliness also knew how to contain, swallow, the family Passover seder celebrated by the book with 30 people seated at an endless table stretching across the living room, and synagogue with my father on Rosh Hashanah and Yom Kippur, and the funerals with the rabbi and the shrouded body and the shiva, when these occasions befell us, and all the other signifiers of Jewishness which, only years later, I knew to recognize and name as such: Jewish, first of all Jewish.
The experience of having Jewishness sneak up on me and into my Israeliness, was not mine alone. In many respects, we all went through it. The dramatic break Zionism made with the “old Jew” and its reinvention as a modern “Hebrew” and later “Israeli,” a process began in the 19th century that prospered well into the 20th century, began loosing force. The attempt to meld into a single pot Jewish immigrants from Poland and Lithuania, Syria and Yemen—failed. Suddenly, the former identities began to re-surface: Orthodox, National-Religious, Mizrahi and Ashkenazi. Our Jewishness returned from exile and with it Jewishness’ greatest asset: Otherness.
This is Jewishness as I see it: Difference. Recognizing difference, ours and theirs; conjuring up from the depths of our collective consciousness the memory that once upon a time we were a minority, marginal. Outsiders, but not only: also people who by virtue of their place in the world beget great cultural assets for all.
That is what I long for. Beirut is not mine, nor is Leipzig. But also Tel Aviv—the city I know so well and love so much—is not altogether mine. I live and work and raise my wonderful children here and know that this place, and only this place, is my home. But somewhere, from afar, I hear the echoes of estrangement. And I love it. It reminds me of the temporariness of Israeliness, it reminds me of the Other. And the Other is, more than anyone, those who lives here, beside me. The Palestinians. It is this recognition that constitutes my Jewishness.
Wat is Joodse Identiteit? (VERTALING: ELLEN KIL)
Mijn grootmoeder sprak Arabisch. Ja, ook Arabisch. En gedurende vele jaren woonde ze bij ons – mijn vader (haar zoon), mijn moeder, mijn zus en ik, in ons huis in Tel Aviv. Mijn moeder, de dochter van Poolse joden die op een bepaald ogenblik naar Duitsland migreerden, was pas welkom in de familie toen ze geleerd had Ma'ouda en Hamoud u Rouz te koken, Couqula en Medias, Majadara en Qua'ak, Awamee en zoete Ma'oul – het voedsel bij mijn Syrisch-Libanese vader thuis – net zoals ze leerde Arabisch te spreken.
Mijn andere grootmoeder sprak Duits. Ze stelde geen culinaire eisen, noch van haar dochter, noch van haar schoonzoon, misschien had ze helemaal geen eisen van welke aard ook, enkel een bittere nasmaak van het goede leven 'daar ginds', een herinnering die vervloog toen ze in de vooravond van 1933 met haar echtgenoot en dochters naar Israël migreerde, en verplicht werd tot huisarbeid. Haar dochters, Ruth en Helga, werden Ruta en Rikva. Rikva, mijn moeder, weigert om één voet in Duitsland binnen te zetten. Ze is kwaad.
Ik leef in Israël – een land dat zichzelf vanaf het begin een 'bolwerk van het westen in het oosten' noemt – en ik merk dat ik hunker naar een bezoek aan Damascus en Beirut, ook al heb ik daar nooit een voet binnengezet, en zal ik dat waarschijnlijk ook nooit doen. Zonder enig verlangen daarentegen ging ik op zoek naar het huis van mijn grootouders in Leipzig. Het deed pijn.
Ik werd geboren in 1956, vijf maanden vooraleer Israël – samen met echte koloniale machten als Frankrijk en Groot-Brittannië – weer een nieuwe oorlog begon te voeren. Een oorlog met als doel de Israëlische aanwezigheid in en controle over de regio te benadrukkern. Hij staat hier bekend als 'De Sinai Oorlog'.
De oorlog daarna vond plaats in 1967. Deze noemen Israëlieten wel eens de 'Zesdaagse Oorlog' om de grootsheid van de Israëlische overwinning en de nederlaag van de Arabieren in de verf te zetten. Samen met ieder ander schreeuwde ook ik van vreugde toen ze op de radio omriepen: 'De Tempelberg is in onze handen!" En zoals ieder ander, wilde ik een heldhaftige bruin gebrande para worden, die zo weinig mogelijk leek op Menek: de man aan de overkant van de straat die heel de nacht door in het Duits stond te krijsen, een overlevende van de Holocaust. Wij waren Israëlieten, hij was joods.
Als Israëlieten wisten we ook hoe met onze familie de huiselijke ceremonie van Pesach te houden en ons te laten welgevallen. Volgens de voorschriften vierden we dit met dertig mensen samen: we zaten aan een ellenlange tafel die zich over heel de woonkamer uitstrekte. Ook gingen we naar de synagoge met mijn vader op Rosh Hasana en Yom Kippur ; we woonden begrafenissen bij met de rabbijn en het in een doodskleed gewikkelde lichaam en de shiva , wanneer die gelegenheden zich bij ons voordeden. De rabbijn, en alle andere belangrijke functionarissen binnen het Jodendom die, ik, pas jaren later, echt erkende, noemde ik eerst gewoon: joods, vooral hen noemde ik joods.
Met het gevoel een joodse identiteit te hebben, raak ik langzamerhand vertrouwd en – omdat ik van Israël ben – is dat niet alleen bij mij het geval. In veel opzichten, hebben we zo'n ontwikkelingsfase allemaal doorgemaakt. Aan het begin van het Zionisme trachtten we ons – koste wat het koste – volledig los te rukken van wat vroeger typisch 'joods' was: we bouwden ons een volledig nieuwe identiteit uit als moderne 'Hebreeuw' en later als 'Israëliër'. Dit proces kwam op gang in de 19e eeuw en ging in de 20e eeuw gestadig verder, maar nu begint het weer te stagneren. De poging alle joodse immigranten over dezelfde boeg te gooien – of ze nu uit Polen en Letland, of uit Syrië en Yemen komen – is mislukt. Ineens begonnen onze identiteiten van daarvoor opnieuw aan de oppervlakte te komen: Orthodox, Nationaal-Religieus, Mizrahi, en Ashkenazi. We herwonnen onze joodse identiteit uit die tijd van ballingschap en daarmee ook onze grootste troef: Diversiteit.
Dit is “joods zijn” zoals ik het zie: Diversiteit. Deze diversiteit (h)erkennen, de onze en de hunne, vanuit het diepst van onze collectieve herinnering het bewustzijn oproepen dat wij lang geleden een minderheid waren en zelfs als marginalen gezien werden. “Outsiders”, maar dat niet alleen, ook mensen die dankzij hun plaats in de wereld, cultuur van formaat voortbrengen voor alle mensen.
Dat is waar ik naar snak. Beirut is niet mijn thuishaven, noch Leipzig. Maar ook Tel Aviv – de stad waar ik mij thuis voel en die ik zo goed ken – kan ik niet helemaal als 'mijn stad' beschouwen. Ik leef en werk hier en voedt mijn fantastische kinderen hier op en weet dat deze plaats, en alleen deze plaats, mijn thuis is. Maar ergens, in een heel ver hoekje, hoor ik echo's van vervreemding. En ik hou daarvan. Het doet mij beseffen hoe onze Israëlische identiteit aan verandering onderhevig is, het doet me denken aan de Ander. En de Ander is meer dan eender wie, een bevolkingsgroep die hier dichtbij mij leeft: de Palestijnen. Dat inzicht – en geen ander – ligt aan de basis van mijn joodse identiteit.